Geschiedenis Draadloze Communicatie
Na de ontdekking van elektromagnetische straling (EMF) in de negentiende eeuw kreeg deze nieuwe techniek in de loop der tijd verschillende toepassingen, waaronder radio en televisie. Sinds enkele decennia heeft de mobiele telefoon en mobiel internet zijn intrede gedaan. Vaak gaat de meeste aandacht uit naar wat technisch allemaal mogelijk is. Gezondheidsaspecten blijven onderbelicht.
Sinds 2000 kent de maatschappelijke discussie over mobiele netwerken en straling in Nederland een doorlopende geschiedenis waarin telkens nieuwe technologie (3G, 4G en 5G) een nieuwe golf van activisme oproept, vaak gedragen door deels dezelfde personen en netwerken.
In onderstaande tijdlijn worden in vogelvlucht de belangrijkste ontwikkelingen geschetst.
EMF-straling en RF-straling
EMF-straling en RF-straling zijn niet hetzelfde, maar wel nauw verwant. EMF (elektromagnetische velden) is de brede verzamelnaam voor alle vormen van elektromagnetische straling, variërend van zeer lage frequenties tot bijvoorbeeld zichtbaar licht en röntgenstraling. RF-straling (radiofrequente straling) vormt daar een specifiek onderdeel van en omvat het frequentiegebied van circa 3 kHz tot 300 GHz, dat onder meer wordt gebruikt voor radio, televisie, mobiele communicatie, wifi en bluetooth.
Voorgeschiedenis
De geschiedenis van draadloze communicatie begint bij de ontdekking van elektromagnetische straling. In 1887 toonde de Duitse natuurkundige Heinrich Hertz aan dat onzichtbare golven zich door de lucht kunnen verplaatsen. Kort daarna werd deze ontdekking praktisch toegepast. Door de Italiaan Marconi vonden vanaf 1895 de eerste experimenten met radioverbindingen plaats. De eerste Nederlandse radio-uitzending vond plaats in 1919.Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd ook radar ontwikkeld, een techniek die radiogolven gebruikt om objecten, zoals vliegtuigen en schepen, op te sporen. Daarna kwam de televisie. Uiteindelijk leidde deze ontwikkeling tot de eerste generatie mobiele telefoons (1G) in de jaren 80. Deze telefoons (groot. zwaar en prijzig) maakten het mogelijk om draadloos te bellen via netwerken van zendmasten. Deze vormden de basis voor de moderne mobiele communicatie die we vandaag kennen.
Van 1G naar 4G
De eerste generatie, 1G, verscheen in de jaren 80. Deze telefoons waren groot en zwaar en konden alleen analoge spraak versturen. De kwaliteit van het geluid was vaak niet goed en gesprekken waren niet goed beveiligd. Toch was het een belangrijke stap, omdat mensen voor het eerst echt draadloos konden bellen. Met 2G, vanaf de jaren 90, werd het systeem digitaal. Dit betekende dat gesprekken duidelijker en veiliger werden. Ook werd het mogelijk om sms-berichten te versturen. Dit maakte mobiele telefoons veel populairder, omdat mensen niet alleen konden bellen, maar ook korte tekstberichten konden sturen. Daarna kwam 3G in de vroege jaren 2000. Dit netwerk was sneller en vooral belangrijk voor mobiel internet. Mensen konden nu op hun telefoon websites bekijken, e-mail gebruiken en later ook video’s laden. Met 4G werd mobiel internet nog veel sneller en stabieler. Dit maakte het mogelijk om video’s te streamen, online te gamen en apps te gebruiken zonder veel vertraging.
De huidige 5G
Rond 2010 begonnen onderzoekers en telecombedrijven na te denken over een nieuwe standaard na 4G. Ze zagen dat er steeds meer apparaten kwamen die internet nodig hadden, zoals smartphones, slimme sensoren en later ook zelfrijdende systemen. Internationale organisaties en bedrijven werkten samen om eisen vast te stellen voor deze nieuwe technologie. Het doel was om een netwerk te maken dat veel sneller is, minder vertraging heeft en veel meer apparaten tegelijk kan verbinden. Deze nieuwe standaard werd uiteindelijk 5G genoemd. Vanaf ongeveer 2019 begonnen de eerste 5G-netwerken in verschillende landen, ook in Europa. In het begin waren deze netwerken vooral in grote steden beschikbaar en nog niet overal even sterk. Daarna breidde het snel uit.
Maatschappelijke discussie
In juni 1999 vond op initiatief van Jan van Gils in Utrecht een beeldvormende studiedag plaats over GSM en GEZONDHEID, waarbij naast critici ook het woord werd gegeven aan de KPN en de Gezondheidsraad. De maatschappelijke discussie verbreidde zich in de daarop volgende jaren, toen UMTS (3G) in Nederland begon na de frequentieveiling rond 2000 en de eerste uitrol vanaf circa 2004. Al snel ontstond er maatschappelijke onrust over de mogelijke gezondheidseffecten van de nieuwe zendmasten. Rond 2005–2006 werd het platform StopUMTS opgericht, een online platform en actienetwerk dat zich richtte op het verzamelen van meldingen van gezondheidsklachten, het ondersteunen van juridische procedures tegen zendmasten en het verspreiden van kritische informatie over elektromagnetische straling.
In dezelfde periode ontstonden ook losse lokale actiegroepen, vaak rondom concrete geplande masten in woonwijken. StopUMTS verbond deze verspreide lokale acties met elkaar via internet, waardoor een soort netwerkstructuur ontstond die de eerste landelijke samenhang in het protest tegen mobiele netwerken mogelijk maakte.
Vanaf ongeveer 2007 verschoof de beweging geleidelijk van een puur UMTS-gerichte focus naar een bredere benadering van stralingsrisico’s. In dat jaar werd het Nationaal Platform Stralingsrisico’s opgericht, dat probeerde de discussie meer beleidsmatig en politiek te voeren en een brug te slaan tussen burgers, actiegroepen en soms ook sympathiserende deskundigen. In deze fase werd het begrip “elektrosmog” belangrijker en ontstond een breder narratief over mogelijke gezondheids- en milieueffecten van draadloze technologie in het algemeen.
Met de introductie van 4G (LTE) rond 2012–2013 nam de publieke aandacht voor zendmasten tijdelijk af. De uitrol verliep relatief geruisloos in vergelijking met UMTS, en de maatschappelijke protesten werden minder zichtbaar. Toch verdween het onderliggende netwerk niet: de mensen die eerder actief waren binnen StopUMTS en aanverwante platforms bleven betrokken, al verschoof de activiteit meer naar informatievoorziening, kleine juridische stappen en internationale uitwisseling met gelijkgestemde groepen. In deze periode was er dus geen nieuwe massamobilisatie, maar eerder een voortzetting van een bestaande, relatief kleine maar stabiele achterban.
Die situatie veranderde opnieuw toen de introductie van 5G in beeld kwam vanaf circa 2018–2019. De nieuwe technologie leidde tot een heropleving van zorgen en protesten, waarbij bestaande netwerken opnieuw werden geactiveerd en nieuwe organisaties ontstonden. Een van de belangrijkste nieuwe initiatieven was Stop5GNL, dat rond 2019 werd opgericht. Deze organisatie positioneerde zich nadrukkelijk als juridische en maatschappelijke tegenmacht tegen de uitrol van 5G en startte onder meer procedures tegen de Nederlandse staat, naast het organiseren van petities en publieke acties.
In de loop van de 5G-discussie ontstonden daarnaast ook andere verwante groepen en initiatieven, die varieerden van juridisch ingestelde stichtingen tot meer losse burgercollectieven. Deze organisaties werkten soms samen, deelden informatie en trokken deels dezelfde achterban, maar opereerden vaak ook zelfstandig. Tegelijkertijd werd de beweging inhoudelijk breder: naast stralingsrisico’s kwamen ook thema’s als digitalisering, privacy en overheidsbeleid vaker in beeld.
Stop5GNL besloot na de rechtszaak in 2020 en 2021 tegen de staat weer aansluiting te zoeken bij het eerdere idee van een overkoepelend platform rond stralingsrisico’s (Nationaal Platform Stralingsrisico’s).
1966
Aanname warmte paradigma (1)
In de Verenigde Staten speelde de American National Standards Institute (ANSI), via voorlopers zoals de USASA, een belangrijke rol in het vaststellen van richtlijnen voor RF-straling. Al in 1966 publiceerde een ANSI-commissie (C95) een van de eerste blootstellingsnormen, gebaseerd op het uitgangspunt dat schadelijke effecten pas optreden wanneer weefsel merkbaar opwarmt. In Europa werd dit thermische paradigma later overgenomen. In de jaren 1970–1980 namen landen zoals Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen geleidelijk de Amerikaanse visie over, vooral via nationale richtlijnen en onderzoeksinstituten.
1967 – 1979
Tussen 1967 en 1979 stond straling vooral nog in het teken van radar, radio- en microgolftechnologie, die vooral werd gebruikt in defensie, luchtvaart en de industrie. Technisch gezien nam het gebruik van hogere frequenties toe, onder andere door de verdere ontwikkeling van radarsystemen en de introductie van huishoudelijke magnetrons aan het eind van de jaren ’60 en in de jaren ’70. Hierdoor kwam er meer aandacht voor blootstelling van zowel werknemers als het publiek aan microgolven. Maatschappelijk was er in deze periode nog relatief weinig brede publieke discussie, maar binnen de wetenschap en arbeidsgezondheid groeide wel de belangstelling voor mogelijke effecten van langdurige blootstelling. Vooral in militaire en industriële omgevingen werden de eerste blootstellingslimieten en veiligheidsrichtlijnen ontwikkeld en internationaal vergeleken. Ook ontstonden de eerste systematische onderzoeken naar mogelijke biologische effecten van radiofrequente straling, maar overtuigend bewijs voor schadelijke gezondheidseffecten bij normale blootstelling was er nog niet.
1980 – 1989
Tussen 1980 en 1989 kwam elektromagnetische straling steeds sterker in beeld door de opkomst van de eerste mobiele telefonienetwerken en de snelle verspreiding van draadloze communicatie. Technisch gezien werden in deze periode de eerste generatie mobiele systemen (1G) uitgerold, zoals NMT en AMPS, en werd in 1987 de GSM-standaard ontwikkeld, die de basis zou vormen voor later digitaal mobiel bellen. Ook werden microgolftechnologie en satellietcommunicatie verder uitgebreid, waardoor draadloze verbindingen steeds normaler werden. Maatschappelijk begon in deze periode voorzichtig aandacht te ontstaan voor mogelijke effecten van EMF. Door de groei van zendmasten, radarinstallaties en het wijdverbreide gebruik van bijvoorbeeld magnetrons kwamen er vragen over blootstelling in de woon- en werkomgeving. Vooral binnen de arbeidsgezondheid werden blootstellingsnormen verder ontwikkeld en aangescherpt. In de algemene bevolking was er nog geen brede onrust, maar wel een groeiende wetenschappelijke en beleidsmatige belangstelling voor mogelijke langetermijneffecten.
1990
Aanname warmte paradigma (2)
De formele verankering volgde in de jaren 1990. De International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP), opgericht in 1992, publiceerde in 1998 invloedrijke richtlijnen waarin expliciet wordt gesteld dat bewezen gezondheidseffecten van RF-straling het gevolg zijn van opwarming. Deze benadering werd vervolgens wereldwijd verspreid door de World Health Organization (WHO) via het EMF Project (vanaf 1996), en in Europa officieel overgenomen door de Europese Commissie in de aanbeveling 1999/519/EG. Kort samengevat: Europa nam in de jaren 1970–1980 impliciet het Amerikaanse thermische model over, waarna dit tussen 1992 en 1999 formeel werd vastgelegd en beleidsmatig verankerd.
In zijn adviezen sluit de Gezondheidsraad doorgaans aan bij de limieten en aanbevelingen van ICNIRP. Deze worden gezien als de internationale wetenschappelijke standaard voor veilige blootstelling aan niet-ioniserende straling, waaronder radiofrequente velden (RF). De raad beoordeelt daarbij wel zelfstandig de stand van de wetenschap, maar concludeert meestal dat de ICNIRP-richtlijnen een adequate basis vormen voor bescherming van de volksgezondheid. Ook in Europees verband worden deze ICNIRP-limieten gevolgd, wat de consistentie tussen nationaal en internationaal beleid versterkt.
1991 – 1996
In juli 1994 activeert KPN (toen PTT Telecom) het eerste GSM-netwerk (2G) in Nederland, in september 1995 gevolgd door Vodafone (toen Libertel). Maatschappelijk begon in deze jaren de eerste bredere aandacht te ontstaan voor mogelijke gezondheidseffecten van EMF, al bleef die nog beperkt. Naarmate mobiele netwerken zichtbaarder werden, ontstonden eerste vragen over blootstelling door mobiele telefoons en antennes. Tegelijk werden internationaal meer wetenschappelijke studies gestart en groeide de aandacht voor richtlijnen en blootstellingsnormen.
1997
In dit jaar stond elektromagnetische straling (EMF) vooral in het teken van de snelle groei van mobiele communicatie via het GSM-netwerk. Technisch betekende dit een sterke toename van het aantal mobiele telefoons en zendmasten, waardoor draadloos bellen steeds toegankelijker werd voor het grote publiek. Ook werden eerste stappen gezet richting datacommunicatie via mobiele netwerken. Maatschappelijk was er nog relatief weinig onrust, maar de eerste zorgen begonnen wel te ontstaan. Naarmate meer zendmasten in woonwijken verschenen, stelden sommige burgers en lokale overheden vragen over mogelijke gezondheidseffecten van langdurige blootstelling aan EMF. Internationale organisaties, zoals de WHO, begonnen in deze periode met het bundelen van onderzoek en het formuleren van richtlijnen.
- Gezondheidsraad: “De aanbevelingen van de commissie zijn voor frequenties hoger dan 10 MHz gebaseerd op thermische effecten. Er zijn in de literatuur ook niet-thermische effecten gerapporteerd, zoals directe schade aan het erfelijk materiaal. De commissie geeft echter aan dat de resultaten van deze onderzoeken niet voldoende betrouwbaar zijn om daarop blootstellingslimieten te kunnen baseren. Er vindt thans nader onderzoek plaats naar deze effecten en hun betekenis voor de gezondheid. Mochten de resultaten van dat onderzoek daartoe aanleiding geven, dan zal de Gezondheidsraad zijn huidige aanbevelingen opnieuw in overweging nemen.” / bron
1998 – 1999
Elektromagnetische straling stond vooral in het teken van de snelle groei van het GSM-netwerk en het toenemende gebruik van mobiele telefoons. Technisch betekende dit meer zendmasten, bredere dekking en de eerste voorbereidingen voor mobiel dataverkeer en nieuwe technologieën zoals Wi-Fi en UMTS. Maatschappelijk begon de aandacht voor mogelijke gezondheidseffecten zichtbaarder te worden. Door de groei van antennes in woongebieden ontstonden de eerste lokale zorgen en publieke discussies over blootstelling aan EMF, terwijl overheden en wetenschappers werkten aan richtlijnen en verder onderzoek. Op 18 juni 1999 vond in Utrecht een studiedag plaats over gsm en gezondheid op initiatief van Jan van Gils. Onder de diverse sprekers en forumleden bevonden zich een vertegenwoordiger van de KPN en van de Gezondheidsraad.
- GSM EN GEZONDHEID, Studiedag op 18 juni 1999 in Utrecht / bron
- Klik hier voor een totaal overzicht in 1999
2000
In Nederland was er voor het eerst duidelijke maatschappelijke onrust rond EMF-straling aan het begin van de jaren 2000, grofweg tussen 2000 en 2003. Die onrust ontstond vooral bij de uitrol van mobiele netwerken zoals GSM en later UMTS (3G). In verschillende gemeenten kwamen bewoners in verzet tegen de plaatsing van zendmasten in woonwijken en in de buurt van scholen. Daarbij speelde bezorgdheid over mogelijke gezondheidseffecten van langdurige blootstelling aan elektromagnetische velden een belangrijke rol. In maart werd als onderdeel van de Gezondheidsraad de vaste Commissie Elektromagnetische Velden geïnstalleerd om adviezen te geven op het gebed van mobiele telefonie.
- Gezondheidsraad: “Mobiele telecommunicatie heeft de afgelopen jaren een enorme ontwikkeling doorgemaakt. De snelle verspreiding in de maatschappij heeft, behalve tot vele praktische voordelen die aan het gebruik verbonden zijn, ook geleid tot vragen over mogelijk voor de gezondheid nadelige gevolgen van blootstelling aan de elektromagnetische velden die gebruikt worden voor het draadloos communiceren. Dergelijke vragen leven vooral bij veel mensen die geconfronteerd werden met de plaatsing van een basisstation in hun woonomgeving.” Het advies van 1997 blijft echter gehandhaafd. / bron
2001 – 2002
In deze jaren stond EMF vooral in het teken van de verdere groei van mobiele communicatie en de voorbereiding op de uitrol van UMTS. Technisch betekende dit uitbreiding van bestaande GSM-netwerken, meer zendmasten en de eerste stappen naar sneller mobiel dataverkeer. Ook begon draadloze technologie, zoals Wi-Fi, zichtbaarder te worden in het dagelijks leven. Maatschappelijk nam in deze periode de onrust over mogelijke gezondheidseffecten van EMF duidelijk toe. In Nederland ontstonden meer lokale protesten tegen zendmasten en groeide het publieke debat over blootstelling en voorzorg. Burgers, actiegroepen en sommige gemeenten vroegen om meer onderzoek en terughoudendheid bij antenneplaatsing. Daarmee markeerden deze jaren de overgang van eerste zorgen naar bredere maatschappelijke discussie over EMF.
2003
KPN startte met de uitrol van UMTS (3G), in 2004 gevolgd door Vodafone en het toenmalige T-Mobile (nu Odido). 3G maakte sneller mobiel dataverkeer mogelijk, maar vereiste ook veel nieuwe zendmasten. Dat leidde in Nederland tot zichtbare maatschappelijke onrust: bewoners maakten bezwaar tegen antennes in hun omgeving en er ontstond discussie over mogelijke gezondheidsrisico’s. De overheid startte onderzoeken en communicatiecampagnes om zorgen te adresseren.
- Gezondheidsraad: “Mobiele telefoons en GSM-basisstations zijn in Nederland alom tegenwoordig. De straling van deze telefoonsystemen is niet direct schadelijk voor de gezondheid, schreef de Gezondheidsraad in eerdere adviezen. Over de eventuele lange-termijn-effecten was in de beginjaren van de mobiele telefonie echter nog weinig te zeggen. Vandaag presenteert de Commissie Elektromagnetische Velden van de raad voorstellen voor wetenschappelijk onderzoek naar eventuele later optredende gezondheidseffecten van blootstelling aan elektromagnetische velden.” / bron
2004
De uitrol van UMTS bleef doorgaan en mobiel internet nam geleidelijk aan toe. Tegelijk nam de maatschappelijke discussie toe. In Nederland kreeg vooral het zogeheten TNO-onderzoek naar effecten van EMF veel aandacht, omdat dit mogelijke effecten op welzijn suggereerde. Dit leidde tot extra media-aandacht, politieke vragen en meer vraag naar onafhankelijk vervolgonderzoek en duidelijkere normen.
- Gezondheidsraad: “Recent onderzoek geeft geen nieuwe aanwijzingen dat mobiele telefoons gezondheidsschade kunnen veroorzaken. Ook is niet aangetoond dat het nieuwe communicatiesysteem C2000, gebruikt door hulpdiensten, gevaar voor de gezondheid oplevert. Eerdere gegevens over een mogelijke relatie tussen blootstelling aan velden afkomstig van hoogspanningslijnen werden bevestigd.” / bron
- RIVM: “Het is onbekend of en zo ja hoe blootstelling aan radiofrequente velden tot subjectieve gezondheidseffecten zoals hoofdpijn kan leiden. Ook ontbreekt er een systematisch overzicht van alle bronnen in Nederland en hun bijdragen aan de totale blootstelling. Radiofrequente velden worden bijvoorbeeld veroorzaakt door diverse communicatiezenders zoals gebruikt voor mobiele telefonie en omroep. Er bestaat bezorgdheid onder de bevolking over mogelijke gezondheidseffecten en onbekendheid met dergelijke velden.” / bron
- Uitzending Zembla ‘ZIEK VAN MOBIEL BELLEN’ / “Al lange tijd is er onrust over de gevolgen die de straling van mobiel telefoonverkeer zou kunnen veroorzaken. De overheid zegt dat er niets aan de hand is en heeft de telefoonbedrijven alle ruimte gegeven. Wie protesteert is zeurpiet. Overal verrijzen op dit moment nieuwe UMTS zendmasten en dat terwijl uit onderzoek van TNO blijkt dat het nieuwe systeem mogelijk schadelijk is voor de gezondheid.” / YouTube
2005
EMF stond vooral in het teken van de verdere uitrol van UMTS, de groei van mobiel internet en het toenemende gebruik van draadloze toepassingen zoals Wi-Fi. Technisch betekende dit meer antennes, hogere netwerkbelasting en een verdere integratie van draadloze communicatie in het dagelijks leven. Maatschappelijk bleef de discussie over mogelijke gezondheidseffecten sterk aanwezig, mede in het verlengde van het debat dat na het Nederlandse TNO-onderzoek in 2003 was ontstaan. In 2005 verschoof de aandacht meer naar vervolgonderzoek, risicocommunicatie en beleid. De WHO en de Gezondheidsraad besteedden in deze periode nadrukkelijk aandacht aan evaluatie van wetenschappelijke kennis en blootstellingsrichtlijnen.
2006
De technologie raakte verder ingeburgerd en het gebruik van mobiele telefonie en draadloos internet nam sterk toe. De focus verschoof naar het consolideren van netwerken en het verbeteren van dekking. Maatschappelijk bleef er bezorgdheid bestaan, maar het debat werd iets minder scherp dan in eerdere jaren. Organisaties zoals de World Health Organization benadrukten dat er geen overtuigend bewijs was voor schadelijke effecten binnen de geldende limieten, terwijl onderzoek naar langetermijneffecten werd voortgezet.
- Gezondheidsraad: “Is blootstelling aan elektromagnetische velden ongezond? Het is een vraag die geregeld leidt tot maatschappelijke ongerustheid. Op dit moment kan de wetenschap nog onvoldoende aangeven of er nu wel of niet sprake is van gezondheidseffecten van elektromagnetische velden. Daarom wil de staatssecretaris van VROM op korte termijn een onderzoeksprogramma starten.” / bron
2007
In dit jaar is Stichting EHS opgericht. EHS is het verschijnsel dat mensen last hebben van sommige stralingsfrequenties van apparaten waarbij zij gezondheidsproblemen vertonen. De gezondheidsklachten zijn divers echter per individu kenmerkend bij blootstelling aan de specifieke stralingsfrequenties waarvoor ze gevoelig zijn. In decenber werd Stichting Stralingsarm Nederland opgericht. Deze ontstond als burgerinitiatief in reactie op de zorgen rond uitrol van 3G.
- Gezondheidsraad: “Blootstelling aan de elektromagnetische velden veroorzaakt door mobiele telefoons en antennes staat nog steeds in de belangstelling. Voortdurend verschijnen nieuwe wetenschappelijke publicaties over dit onderwerp. De minister van VROM heeft de Gezondheidsraad verzocht om, vooruitlopend op een uitgebreidere analyse, een beknopte eerste reactie te geven op drie wetenschappelijke publicaties die in het maatschappelijke debat vaak naar voren komen en om aan te geven of naar verwachting de resultaten van deze onderzoeken aanleiding zullen geven om eerdere conclusies met betrekking tot de mogelijke gezondheidseffecten van mobiele telefonie bij te stellen.” / bron
2008
Kenmerkend was de snelle groei van mobiel internet en smartphones. Technisch gezien nam het gebruik van UMTS (3G) sterk toe, waardoor mensen vaker en langer draadloos online waren. Ook breidde Wi-Fi zich verder uit in woningen, bedrijven en publieke ruimtes, wat leidde tot een grotere en continuere blootstelling aan radiofrequente signalen. Maatschappelijk bleef er discussie over mogelijke gezondheidseffecten van EMF, al was die minder fel dan in de jaren daarvoor. In Nederland en andere Europese landen lag de nadruk steeds meer op wetenschappelijke evaluaties en duidelijke communicatie over risico’s. Organisaties zoals de WHO en nationale gezondheidsraden benadrukten dat er binnen de geldende normen geen overtuigend bewijs was voor schadelijke effecten, terwijl zij wel bleven adviseren om onderzoek naar langetermijneffecten voort te zetten.
2009
EMF stond vooral in het teken van de sterke groei van mobiel dataverkeer via UMTS, de opkomst van smartphones en de bredere verspreiding van Wi-Fi. Technisch betekende dit meer draadloze netwerken, meer zenders en een groeiende blootstelling aan radiofrequente signalen. Ook ontstond meer aandacht voor slimme energienetwerken en de eerste discussies rond ‘slimme meters’. Maatschappelijk bleef er discussie over mogelijke gezondheidseffecten van EMF. In Nederland en internationaal vroegen burgers en belangenorganisaties om meer onderzoek en voorzorg. Ook kreeg het Europese debat over voorzichtig omgaan met EMF extra aandacht. Wetenschappelijk bleef het standpunt van gezondheidsinstanties, waaronder de WHO, dat er geen overtuigend bewijs was voor schadelijke effecten binnen de geldende blootstellingslimieten.
- AUVA Rapport: “Onderzoek naar niet-thermische effecten van EMV in mobiele communicatie” (ATHEM), werd in 2009 uitgevoerd in opdracht van de Oostenrijkse Algemene Ongevallenverzekeringsinstelling (AUVA). Het doel van dit onderzoek was om de mogelijke biologische effecten van elektromagnetische velden (EMV) afkomstig van mobiele communicatie te onderzoeken, met name de niet-thermische effecten.” / bron
2010
Dit jaar stond vooral in het teken van de groei van smartphones, mobiel internet en de eerste stappen richting LTE. Technisch betekende dit meer dataverkeer, verdere uitbreiding van draadloze netwerken en toenemende aandacht voor nieuwe toepassingen zoals slimme meters en draadloze apparatuur in huis. Maatschappelijk nam de discussie over mogelijke gezondheidseffecten verder toe. Vooral de publicatie van de grote INTERPHONE Study kreeg veel aandacht, omdat die geen algemeen verhoogd risico vond, maar wel vragen openliet over intensief en langdurig mobiel telefoongebruik. Dat zorgde voor debat in media, politiek en onder burgers. In Nederland speelde ook het Kennisplatform Elektromagnetische Velden een grotere rol in publieksvoorlichting en maatschappelijke dialoog.
- Commissie Elektromagnetische velden: “Eind 2008 kreeg een Belgisch proefschrift nogal wat aandacht in de media, omdat het zou aantonen dat langdurige blootstelling aan GSM- of radarstraling de levensduur van ratten zou verkorten. En natuurlijk werd er gespeculeerd dat dit dan ook wel voor de mens zou gelden. De Tweede Kamer stelde zelfs vragen hierover aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu. Deze vroeg daarom de Gezondheidsraad om een oordeel over het proefschrift.” / bron
2011
EMF stond sterk in de aandacht. Technisch zette de ontwikkeling van smartphones en mobiel internet door, en begonnen de eerste uitrol en testen van LTE-netwerken. Ook Wi-Fi en draadloze apparaten werden steeds alledaagser, waardoor de totale blootstelling aan radiofrequente straling verder toenam. Bij de classificatie van radiofrequente elektromagnetische velden werd gesproken over “mogelijk kankerverwekkend” (groep 2B) door het International Agency for Research on Cancer, onderdeel van de WHO. Dit leidde wereldwijd tot veel media-aandacht en nieuwe discussies over gezondheidsrisico’s van mobiel bellen en draadloze technologie. Tegelijk bleven gezondheidsinstanties benadrukken dat er geen overtuigend bewijs is voor schadelijke effecten binnen de geldende blootstellingslimieten, maar dat verder onderzoek naar langetermijneffecten nodig blijft.
.
- Gezondheidsraad: “Er is geen bewijs gevonden dat blootstelling aan elektromagnetische velden van mobiele telefoons, antennes voor mobiele telefonie of Wifi-voorzieningen nadelige effecten heeft op de ontwikkeling van de hersenen van kinderen.” / bron
2012 – 2015
In februari 2013 lanceert KPN als eerste 4G (LTE) in Nederland, in augustus gevolgd door Vodafone en in november door T-Mobile. In 2015 start Tele2 een eigen 4G-netwerk (later opgegaan in T-Mobile/Odido). Technisch betekende dit hogere datasnelheden, een sterke toename van smartphonegebruik en een groei van draadloze toepassingen zoals Wi-Fi en het Internet of Things. Ook deden slimme meters en andere verbonden apparaten hun intrede, waardoor draadloze communicatie steeds meer verweven raakte met het dagelijks leven. Maatschappelijk bleef er aandacht voor mogelijke gezondheidseffecten van EMF, mede naar aanleiding van de eerdere classificatie door het International Agency for Research on Cancer. Tegelijk verschoof de discussie in deze jaren meer naar monitoring, onderzoek en voorlichting. Overheden en organisaties zoals de WHO bleven benadrukken dat er binnen de geldende limieten geen overtuigend bewijs is voor schadelijke effecten, maar dat onderzoek naar langetermijnblootstelling doorgaat.
2016
Dit jaar stond vooral in het teken van de verdere uitbreiding en optimalisatie van LTE-netwerken (4G) en de groei van het aantal draadloze apparaten. Smartphones, Wi-Fi en het opkomende Internet of Things zorgden voor een steeds intensiever gebruik van draadloze verbindingen, waardoor de alledaagse blootstelling aan radiofrequente signalen verder toenam. Tegelijk begonnen de eerste verkennende stappen richting 5G, vooral in de vorm van onderzoek en pilots. Maatschappelijk bleef er aandacht voor mogelijke gezondheidseffecten, maar het debat was relatief stabiel. Overheden en organisaties zoals de WHO en de Gezondheidsraad benadrukten opnieuw dat er geen overtuigend bewijs is voor schadelijke effecten binnen de geldende blootstellingslimieten. Tegelijk bleef er vraag naar meer onderzoek, met name naar langdurige en gecombineerde blootstelling door de groei van draadloze technologie.
- StopUMTS, ondersteund door dertien andere organisaties, heeft een mail gestuurd naar alle gemeenten in Nederland over het ziek worden van burgers door de straling van draadloze communicatie. / bron
- Gezondheidsraad: “Er is geen verband bewezen tussen langdurig en frequent gebruik van een mobiele telefoon en een verhoogd risico op tumoren in de hersenen of het hoofd-hals gebied.” / bron
2017 – 2018
Deze jaren stonden vooral in het teken van de verdere groei van mobiel dataverkeer en de voorbereiding op 5G. Technisch werden LTE-netwerken verder uitgebreid en geoptimaliseerd, terwijl de eerste 5G-pilots en frequentieveilingen werden voorbereid. Ook nam het aantal verbonden apparaten via het Internet of Things sterk toe, waardoor draadloze communicatie nog centraler werd in het dagelijks leven. Maatschappelijk nam de aandacht voor EMF weer iets toe, vooral door de komst van 5G. In Nederland en andere landen ontstonden nieuwe vragen en zorgen over mogelijke gezondheidseffecten van hogere frequenties en een toenemend aantal antennes. Overheden en organisaties zoals de WHO benadrukten dat er geen overtuigend bewijs is voor schadelijke effecten binnen de geldende limieten, maar dat onderzoek en monitoring belangrijk blijven.
2019
De uitrol van 5G-netwerken werd voorbereid. Maatschappelijk leidde de komst van 5G tot een duidelijke toename van discussie en onrust. In Nederland en internationaal ontstonden zorgen over mogelijke gezondheidseffecten, mede door het gebruik van nieuwe frequentiebanden en de verwachte toename van antennes. Dit resulteerde in publieke debatten, informatiebijeenkomsten en in sommige gevallen protesten tegen de plaatsing van zendmasten. In dit jaar werd de Stichting Stop5GNL opgericht. Op initiatief van Stralingsarm Nederland vonden in november lezingen en symposia plaats in Alkmaar, Amsterdam, Zwolle, Maastricht, Breda en Nijmegen. Hoofdspreker was Dr. Martin L. Pall, emeritus hoogleraar biochemie en medische basiswetenschappen aan de Washington State University.
Bronnen / selectie
- Nieuwe gezondheidsrisico’s ontdekt rond 5G-netwerk / bron
- Debat over de uitrol van 5G / bron
- Dr. Martin Pall op bezoek in Nederland / bron
- Klik hier voor een totaal overzicht in 2019
2020
2020 is in meerdere opzichten een bewogen jaar. Stichting Stop5GNL spande in maart een kort geding aan tegen de staat, dat zij twee maanden later verloor. Inmiddels had de overheid verregaande maatregelingen genomen ‘in de strijd tegen corona” met een ontwrichtend gevolg voor de samenleving. In juli werden vrijwel gelijktijdig de eerste commerciële 5G-netwerken geactiveerd bij drie telecombedrijven: KPN, Vodafone en T-Mobile (nu Odido). Enkele belangenorganisaties waaronder Stichting Elektrohypersensitiviteit (EHS) hadden in juni een positief gesprek met staatssecretaris Mona Keijzer over stralingsarme zones, maar bleven in oktober met lege handen achter.
Bronnen / selectie
- Artikelen naar aanleiding van de rechtelijke uitspraak op 25 mei / bron
- Tafelgesprek met o.a. Prof. Dr. Martin Pall en oproep om uitrol 5G te stoppen! / bron
- Zeer teleurstellende reactie van staatssecretaris Mona Keijzer / bron
- Klik hier voor een totaal overzicht in 2020
2021
Verdere uitrol en opschaling van 5G. Technisch werden bestaande LTE-netwerken (4G) nog verder geoptimaliseerd en werd 5G op meer plekken beschikbaar, wat leidde tot hogere datasnelheden en meer verbonden apparaten. Ook groeide het gebruik van het Internet of Things. Maatschappelijk bleef EMF onderwerp van discussie, maar het debat was minder intens dan in de jaren rond de introductie van 5G. In sommige landen en gemeenten waren er nog zorgen en lokale bezwaren tegen nieuwe antennes, maar deze waren minder breed gedragen. Organisaties zoals de WHO en de Gezondheidsraad benadrukten opnieuw dat er geen overtuigend bewijs is dat blootstelling onder de geldende limieten schadelijk is voor de gezondheid, terwijl onderzoek naar langetermijneffecten doorging.
2022
5G werd verder uitgerold. Technisch ging het niet alleen om uitbreiding van dekking, maar ook om nieuwe frequentiebanden (zoals rond 3,5 GHz) en een toenemende inzet van zogeheten “small cells” en het Internet of Things. Dit leidde tot een verdere groei van het aantal antennes en verbonden apparaten, en daarmee tot een complexer en dichter netwerk van draadloze signalen. Maatschappelijk bleef EMF een onderwerp van debat. In 2022 waren er opnieuw oproepen van groepen wetenschappers en belangenorganisaties om kritischer te kijken naar de gezondheids- en milieueffecten van 5G en om strengere normen of meer onderzoek. Tegelijkertijd bleef het standpunt van gezondheidsinstanties, dat er geen overtuigend bewijs is dat blootstelling aan EMF binnen de geldende limieten schadelijk is, gebaseerd op brede evaluaties van bestaand onderzoek
2023
In november organiseerde het Nationaal Platform Stralingsrisico’s een stralingsconferentie over de nieuwste ontwikkelingen in stralingsonderzoek, gevolgd door een webinar over straling en gezondheid en een workshop over stralingspreventie. In december werd een internationale stralingsveiligheidsdag georganiseerd.
2024
De ontwikkeling rond elektromagnetische straling (EMF) zette zich verder voort, vooral door de verdere uitbouw en verfijning van 5G-netwerken en de eerste voorbereidingen voor toekomstige 6G-technologie. Technisch betekende dit een nog grotere dichtheid aan netwerken, hogere datasnelheden en meer toepassingen in sectoren zoals zorg, industrie en mobiliteit. Ook het aantal verbonden apparaten bleef sterk groeien, wat de totale blootstelling aan draadloze signalen verder deed toenemen. Maatschappelijk bleef EMF een onderwerp van discussie, al was die minder explosief dan in 2020. Er ontstond meer nadruk op transparantie en communicatie vanuit overheden en telecombedrijven over plaatsing van antennes en meetgegevens. Organisaties zoals het WHO en nationale gezondheidsinstanties bleven aangeven dat blootstelling onder de vastgestelde limieten veilig wordt geacht, maar riepen ook op tot voortgezet onderzoek, met name naar langetermijneffecten en nieuwe frequentiebanden. Tegelijkertijd bleef er een groep burgers en belangenorganisaties, zoals Stichting Elektrohypersensitiviteit, die aandacht vraagt voor mogelijke gezondheidsklachten en pleit voor strengere normen of voorzorgsmaatregelen. Ee discussie verschoof daarbij iets meer richting praktische oplossingen, zoals stralingsarme zones, bewuster gebruik van draadloze technologie en betere meet- en monitoringssystemen.
- Straling: update Gezondheidsraad / bron
2025
Dit jaar stond vooral in het teken van de verdere volwassenwording van 5G en de eerste concrete stappen richting 6G. Technisch ging het om een fijnmaziger netwerk met meer antennes, waaronder small cells, en een sterke groei van het aantal verbonden apparaten via het Internet of Things. Ook werden nieuwe toepassingen zichtbaar, zoals slimme infrastructuur, zorg op afstand en geautomatiseerde systemen, waardoor draadloze communicatie nog dieper in de samenleving werd geïntegreerd. Maatschappelijk bleef EMF onderwerp van aandacht, maar het debat was over het algemeen minder scherp dan in de beginjaren van 5G. Er was meer nadruk op transparantie, monitoring en lokale betrokkenheid bij de plaatsing van antennes. Tegelijk bleven sommige burgers en organisaties vragen stellen over mogelijke langetermijneffecten en pleiten voor voorzorg.
- De Andere Tafel: Interview door Pieter Stuurman met Sylvia Slegers over “Een miljoen Nederlanders ziek door straling”. / bron
2026
Nederland beschikt over 6G-testomgevingen, het zogenoemde National 6G Testbed, met fieldlabs in onder andere Delft, Eindhoven, Groningen, Amersfoort en Den Haag. Daarnaast werken KPN, Odido en VodafoneZiggo samen aan de ontwikkeling van 6G via het Future Network Services (FNS)-programma. De verwachting is dat een commerciële uitrol van 6G pas rond 2030 zal beginnen.

